Bij de invoering van de Wet Werk en Zekerheid is bepaald dat een concurrentiebeding in beginsel niet mogelijk is in een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Dit is slechts anders als daartoe zwaarwegende bedrijfsbelangen aanwezig zijn en die belangen ook duidelijk zijn opgenomen in de arbeidsovereenkomst (artikel 7:653 lid 2 BW).
In de zaal van de Kantonrechter Amsterdam van 23 juli 2015 ECLI:NL:RBAMS:2015:4864. oordeelde de rechter dat het concurrentiebeding niet rechtsgeldig was. Hoewel in die zaak wel een zeer uitgebreide motivering was opgenomen, waaruit de zwaarwegende bedrijfsbelangen moesten blijken, oordeelde de kantonrechter toch dat de motivering onvoldoende concreet was geworden.
Recentelijk zijn twee verschillende vonnissen gewezen waarin kantonrechters opnieuw hebben geoordeeld over de geldigheid van een concurrentiebeding in een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Op 9 februari 2016 was het de Kantonrechter Arnhem die zich over een motivering boog en op 19 februari 2016 de Kantonrechter Utrecht (de zaken zijn niet gepubliceerd op rechtspraak.nl). In beide zaken kwamen de kantonrechters ditmaal tot het oordeel dat wel sprake was van zwaarwegende bedrijfsbelangen die wel voldoende gemotiveerd in een arbeidsovereenkomst waren opgenomen. In beide gevallen werd het concurrentiebeding dus rechtsgeldig geacht.
De eerste zaak betreft een geschil tussen een onderneming in de zwembadbranche en een werknemer. De werknemer wordt aan zijn concurrentiebeding gehouden. Wel wordt het concurrentiebeding beperkt tot de duur van één jaar.
In de andere zaak luidt de motivering van het concurrentiebeding als volgt:
Werknemer verkrijgt in de uitoefening van zijn functie toegang tot alle essentiële bedrijfsgegevens, waaronder die met betrekking tot door werkgever gevoerde prijstactieken en prijsstellingen, volumes en andere strategische kennis en/of heeft contact met klanten en verkrijgt inzicht in de met klanten af te sluiten overeenkomsten, de daaraan ten grondslag liggende prijs-tactieken en prijsstellingen, volumes en andere strategische kennis. Tevens heeft werknemer dientengevolge inzicht in de werkwijze van werkgever. Deze informatie kan worden gekwalificeerd als essentiële bedrijfsinformatie en concurrentiegevoelig, reden waarom werkgever deze, als zijnde een zwaarwegend bedrijfsbelang, dan ook wenst te beschermen.
De kantonrechter overweegt allereerst dat er hoge eisen worden gesteld aan de motivering waarbij hij er op wijst dat de werkgever op grond van de huidige wetgeving moet motiveren om welke bedrijfs- of dienstbelangen het gaat en waarom die een concurrentiebeding vereisen. Het oordeel van de Kantonrechter Utrecht luidt echter dat deze motivering wel voldoende concreet is. Wellicht speelt hierbij mee dat het concurrentiebeding zelf niet heel ruim is, maar dat slechts zeven specifieke bedrijven worden genoemd, die aan te merken zijn als directe concurrenten van werkgever, waar de werknemer niet in dienst mag treden.
De kantonrechter komt uiteindelijk tot het oordeel dat er sprake is van voldoende duidelijk geformuleerde zwaarwegende bedrijfsbelangen. Wel wordt ook dit beding in duur beperkt.
Uit deze twee uitspraken volgt dat wel voldaan kan worden aan de hoge eisen die de wetgever stelt aan de motivering van een concurrentiebeding in een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Dat is voor werkgevers gunstig, met name nu uit de eerste uitspraak van de kantonrechter Amsterdam leek te volgen dat de eisen te hoog zouden kunnen zijn. Een meer algemene formulering, mits maar voldoende uitgebreid, lijkt toch als voldoende te kunnen worden beschouwd. Of deze lijn in de rechtspraak wordt voortgezet, zal uiteraard nog moeten blijken.